Hoofdstuk 2

Wat zich achter de muren van de fabriek had afgespeeld ging als een lopen vuurtje door  Joppa. Ben was langzaam terug naar de herberg gelopen en aangekomen liep hij liep langs de ramen in de richting van de deur. Het was binnen opvallend luidruchtig. Door de ramen stroomde het geluid van verhitte gesprekken naar buiten. Ben duwde de deur van de herberg open en liep naar binnen. De gesprekken verstomde, het werd muisstil. Ben keek geschrokken rond. Aan iedere tafel zaten mensen die steeds meer zich omdraaiden en keken in zijn richting. Er kwam een beklemmend gevoel van angst over hem heen. Hij was bang dat de gasten ineens in een soort blinde woede zich op hem zouden storten om hem te vermoorden. Iedereen weet waarschijnlijk al wat er is gebeurd en ze nemen het mij kwalijk, dacht hij. Hij was in ieder geval de hoogste verantwoordelijke geweest. Ben voelde dat hij moest kiezen, of zich rustig omdraaien en de deur door vluchten of de mannen toespreken, het uitleggen, maar wat moest hij uitleggen er viel niets uit te leggen. Kemos had zich gruwelijk misdragen. Het was gewoon niet goed te praten. Ben voelde de paniek zich over hem meester worden. Van achter uit de herberg kwam een oude vrouw langzaam zijn kant op lopen. Ben herkende haar. Het was de vrouw waar hij gisteren per ongelijk tegen aan was gelopen. Ze kwam dichterbij en ging vlak voor Ben staan. Haar gezicht was getekend door de tijd, grote diepe groeven hadden haar gezicht verminkt, maar haar ogen waren niet troebel, ze waren glashelder en doorboorden Ben volkomen. Ze deed een klein stapje terug en vervolgens boog haar oude stramme lichaam zich diep voor hem. Toen ze uiteindelijk weer overeind was gekomen zei ze met haar krakende stem: ‘Je hebt goed geluisterd, jongen’. Ze liep geruisloos langs hem naar buiten. Toen de deur achter haar dichtviel begon iedereen weer voorzichtig wat te praten. De blikken focusten zich weer op elkaars tafelgenoten en de mokken met wijn. Er werd weer voorzichtig gelachen. Ben voelde de spanning uit zijn lijf trekken en liep rustig naar de lege tafel achter in de herberg. De tafel waar de zonderline oude vrouw aan had gezeten. Hij ging zitten en keek de herberg rond. De mensen keken af en toe nog wel naar hem, maar het ging meestal gepaard met een knik of een glimlach. Het leek er niet op dat ze zich massaal op hem zouden storten. De angst stroomde uit zijn lichaam weg. 

‘Zo je hebt het wel druk gehad vandaag.’ De waardin zei het zo dat de halve herberg het kon horen. Er werd gelachen. Ze zetten vier mokken wijn voor hem neer.  

‘De rest krijg je later. Ik moet ook zorgen dat je niet stomdronken straks hier gaat rond dwalen.’ 

‘De rest?’ vroeg Ben verbaast. 

‘Ja ik denk dat je er wel een stuk of tien aangeboden heb gekregen’ Ben zuchtte diep en blies luidruchtige zijn adem uit. ‘Ik dacht dat ze me wilden pakken’ 

‘U? Zowaar ik Malabar heet, dat nooit’ zei de waardin plechtig. ‘Nee iedereen had hier al heel lang op gehoopt. Kemos is een bruut.’ 

‘Waarom heb je me dat dan niet gezegd?’ Vroeg Ben terwijl hij wist dat het nergens op sloeg. Waarom zou deze vrouw hem vertellen wat er aan de hand is. Hij is zonder dat hij het tegendeel zou bewijzen gewoon één pot nat. De welgestelden. De rijken die dat alleen maar zijn geworden door andere te onderdrukken en uit te buiten of door het pure toeval dat hun moeder met de juiste man het bed heeft gedeeld. Ze keek hem met haar grote bruine ogen ongeloofwaardig aan.  

‘Meent u dan nou?’ 

‘Ach nee. Ik begrijp heel goed dat je dat niet gedaan hebt, maar het zou zo mooi zijn als dat toch gewoon normaal was. Het zou toch zo moeten zijn dat jij Malabar. Zo heet je toch?’ vroeg Ben terloops. Ze knikte. ‘Gewoon alles tegen wie dan ook moet kunnen zeggen en vragen. Zolang het maar beleeft is.’ 

‘Ben. Zo heet je toch?’ vroeg Malabar speels. Ben knikte en glimlachte ‘Zo zou het moeten zijn, maar zo is het dus niet en ik zou als ik u was maar eens beginnen met uw wijn te drinken voor het azijn wordt’  Ze liep weg en Ben volgde haar tot ze achter het gordijn van de keuken verdween. Ben voelde de blikken van de andere gasten nog net iets te vaak op hem waren gericht. De gasten bleven maar in estafette naar hem kijken en het voelde ongemakkelijk. Hij keek naar de vier mokken wijn en nam opzichtig uit alle vier een grote slok. Knikte beleeft de herberg in en liep zonder iemand extra aandacht te geven naar de trap en naar boven. Op zijn kamer ging hij op zijn bed liggen. Keek eerst lang naar het plafond en toen de kamer rond. Het was sober, maar schoon. Hij had er genoeg aan. Naast de waskom stond op het kleine tafeltje een kommetje met verse zalf staan. Kijk dat maakt het hier nou zo perfect, dacht hij en stond op om het kommetje te pakken. Hij smeerde zijn enkel er rijkelijk mee in en ging weer liggen, sloot zijn ogen en wachtte tot het beneden rustiger en stiller werd. Hij schrok wakker toen het al donker en stil was geworden. Toen hij de trap afliep, zijn ogen niet van de laatste trede afhoudend, en de herberg in liep zat er niemand meer behalve de waardin en de waard. Ze zaten aan één tafel. De waard was al een man op leeftijd.  

‘Komt u bij ons zitten?’, vroeg hij vriendelijk. ‘Mijn dochter en ik zijn nog wat aan het bijkomen van de dag. Heeft u al wat gegeten?’  

Ben ging aan de tafel zitten en antwoorde:  ‘Ja het was vanmiddag druk in uw zaak en nee ik heb nog niets gegeten.’  

De waard keek zijn dochter aan ‘Wil jij even wat eten voor meneer halen?’ 

‘Zeg maar Ben hoor,’ zei Ben. De man knikte vriendelijk. 

‘Ik ga me daar nog vaak in vergissen, meneer Ben’  

‘Dat geloof ik graag, maar meneer Ben vind ik ook wel een leuke’  

Malabar kwam met een blad met brood, kaas, druiven en vijgen aangelopen en zette het voor Ben op tafel. 

‘Wil je nu de wijn die je vanmiddag aangeboden is hebben?’ Vroeg Malabar. 

‘Is ervoor betaald?’ 

‘In veel gevallen wel, maar niet door iedereen.’ 

‘Maar toch wel genoeg zodat we met z’n drieën een mok kunnen nemen?’ vroeg Ben hoopvol. 

‘Ja dat gaat wel lukken.’ Ze pakte de lege mokken van tafel en liep naar de bar. Daar schonk ze drie nieuwe mokken in.  

‘Wil je weten hoe het met Merari gaat?  

Ben keek haar vragend aan. ‘De vader van Elisha, de man die zo is toegetakeld.’ 

‘O Sorry, Ik wist niet dat hij Merari heet. Maar ja, als je nieuws hebt, graag’ 

Malabar kwam vanachter de bar naar de tafel toegelopen en zette de mokken op tafel. Ze ging tegenover Ben zitten en zei:  

‘Er is een heelmeester bij hem geweest. Al zijn vingers zijn langs een lat gelegd en vast gezet. Maar zijn enkel is echt kapot. Volgens de meester komt het met zijn hand wel goed, maar of hij ooit weer goed kan lopen?’  

Ben keek Malabar triest aan.  

‘Dat is niet goed, hoe weet je dat, is het echt zeker?’ 

‘De heelmeester was hier nadat hij bij Merari geweest was.’ 

‘Is het wel een goede meester?’ 

‘De beste die er in deze buurten is.’ Zei de waard. Hij nam een slok wijn en vervolgde. ‘Als iets zo verschrikkelijk kapot is kun je niet veel meer doen, ook al ben je de beste heelmeester die er is’ 

‘Klop.’ Ben ging er verder maar niet op in. ‘Komt die zoon Elisha hier wel eens in de herberg?’ 

‘Ja, niet vaak maar zo af en toe wel. Hoezo?’ vroeg Malabar. 

‘Wil je wat voor me doen, wil je een beetje in de gaten houden hoe het met de familie gaat. Mensen kunnen ziek worden, daar kan ik verder ook niet zoveel aan doen, maar in dit geval blijft ons bedrijf schuldig en vind ik dat we moeten blijven zorgen voor het gezin.’ 

Nadat Ben dat gezegd had nam hij een hap van een groot stuk kaas en begon verwoed te kauwen. 

’Is goed. We houden het ze de gaten’, zei de waard, ‘maar dan moet u af en toe iemand langs sturen om er naar te vragen.’ 

‘Ik ga zeker de komende tijd hier vaker komen. Al was het alleen maar om een oogje in het zeil te houden in de fabriek en om in uw goed gezelschap te mogen zijn.’  

Ben keek Malabar aan toen hij dat laatste zei. Ze gaf hem een kleine glimlachje en keek toen licht blozend naar haar mok met wijn.  

‘Je moet me trouwens nog wel zeggen wat die zalf gekost heeft.’ 

‘Komt goed, wanneer wil je vertrekken’ 

‘Morgenvroeg. Ik moet zo snel mogelijk verslag doen in Nazareth. Het liefst voordat de roddels daar zijn aangekomen, al denk ik dat ik dat niet ga redden. Zeker niet nu ik nog steeds en ondanks de zalf, niet zo snel kan lopen.’ 

‘Je had jezelf moeten zien lopen zonder de zalf. ‘  

‘Ongetwijfeld een stuk langzamer en met veel meer pijn.’ Haastte Ben te zeggen. 

‘Als je dat maar weet’ Malabar dronk haar mok in één teug leeg. 

De grote kudde werd langzaam door zijn herders voortgestuwd. De mannen liepen op één lijn achter de honderden schapen die zonder dat ze zich overduidelijk opgejaagd voelden in de richting van de Jordaan liepen. Joachim liep op afstand mee. Hij kon de mannen nog voor zich zien, maar verder was het alsof ze een grote stofwolk aan het opdrijven waren. Hij keek om en zag de poort van de stad. Jaren had hij binnen haar veilige muren gewoond. Haar synagoge trouw bezocht. Door haar straten gelopen en op haar lage muurtjes, die speels rond de olijvenbomen waren opgetrokken, gerust.  Het is in schril contrast met de twijfelmoedige stappen die hij nu nam. Ze vergrotte resoluut de kloof tussen hem en zijn stad. Het deed hem pijn, maar hij zag geen andere uitweg. Bijna dagelijks had hij de liefde met zijn vrouw bedreven. Zo vaak dat de liefde allang vertrokken was en plaats had gemaakt voor een wanhopig plichtsgevoel. Anna raakte niet zwanger en met iedere poging die ze deden baarde ze twee duivelse kinderen; Onzekerheid en schuldgevoel. Joachim probeerde haar gerust te stellen. Misschien wel net iets te vaak sprak hij zijn vertrouwen uit. De vele varianten van: ‘Schat het komt wel goed’, maar na zeven jaar was het nog steeds niet goed gekomen.  Natuurlijk had hij de opmerkingen van de priesters gehoord. Het gemak waarmee ze hem richting een andere vrouw manipuleerde, het tergde hem. Volgens de priesters moest hij nageslacht hebben, het liefst een zoon. Als de Eeuwige hem daarmee niet zegende was het twijfelachtig of zijn rijkdom en zijn vrijgevigheid wel uit het goede hart kwam. Een vrouw die niet zwanger raakte was meestal een straf. Maar Joachim weigerde zijn vrouw de genadeslag toe te dienen door zijn heil te zoeken bij een andere vrouw. Anna was misschien niet de jongste vrouw meer en de sporen van de tijd waren al flagrant zichtbaar. Maar hij hield van haar en dus ook van haar imperfecties. Voor hem huisden juist daarin haar wijsheid en haar levenskracht. Jong zijn is zo verschrikkelijk makkelijk. Het gaat vanzelf en het gaat ook vanzelf over. Anna had het ouder worden tot een ware kunst verheven en hij genoot daar volop van mee.  
Die avond was hij tegen haar aangekropen en toen ze plichtmatig op haar rug wilde gaan liggen en haar benen uit elkaar wilde doen om hem te ontvangen, hield hij haar tegen en gaf haar een kus op haar schouderblad. ‘Schat, slaap lekker’ zei hij en deed daarna of hij in slaap viel, maar hij luisterde naar hoe haar ademhaling zwaarder werd. Hij luisterde er vertederd naar terwijl zijn tranen kringen op het bed vormden.  
De volgende morgen was hij vroeg naar de synagoge gegaan. De priester had hem, toen Joachim op hem af kwam lopen, verrast gegroet. ‘U bent er vroeg bij,’ zei hij ‘Heeft u wellicht goed nieuws voor mij over uw vrouw.’  

‘En of ik goed nieuws heb’, zei Joachim opgewonden. 

‘Wat ben ik blij voor jullie. Ik wist dat het een keer zou gaan gebeuren, Dank de Eeuwige.’ 

‘Ja, het gaat gebeuren.’ Zei Joachim en nam een korte pauze voordat hij verder ging. ‘Ik ga vandaag mijn kudde richting de landerijen van mijn schoonvader verhuizen. Ik ga daar samen met Anna de kudde proberen te vergroten en nog krachtiger te maken. De gronden van mijn schoonvader bij de Jordaan zijn vele malen vruchtbaarder dan de gronden bij de stad en als dat het geval is, dan ruil je de stad gewoon in voor een ander, zo gaat dat als vruchtbaarheid in het spel is’  

De priester kon niet voorkomen dat zijn mond open viel toen Joachim vervolgde: ‘Anna blijft eerst hier totdat ik alles daar op orde heb, dat kan wel een paar maanden duren. Ik hoop dat u genoeg anderen heeft die u van voldoende offerande kunnen bieden, u zult het in de toekomst zonder die van mij moeten doen.’ 

‘O ja, natuurlijk gaat dat lukken’, zei de Priester terwijl twijfel in zijn stem doorsijpelde, maar verder kwam er geen reactie. De priester knikte beleeft en verdween in het niets. Het maakte Joachim nog kwader dan hij al was. Al die uren dat hij hier gezeten, gebeden, gepraat had, was dat onder de streep niet meer geweest dan een ordinaire investering. Het zekerstellen van zijn soms ongerijmde bijdrage. Ik moet hier weg, anders bega ik een grote fout, dacht hij en draaide zich om, beende naar buiten in de richting van de poort.  

De herders waren allemaal met hem meegegaan, wetende dat ze elders een nieuw leven moesten gaan opbouwen. Het afscheid van hun gezin, die ochtend was kort geweest, maar herders waar vaak, net als zeelieden, lang en ver weg van huis. Ze waren loyaal aan hun heer. Hij was altijd goed voor hun geweest en had hun veel meer loon gegeven dan de meeste heren deden. Zolang, na verloop van tijd, hun gezinnen maar achter ze aan zouden komen was er niet zoveel twijfel geweest en Joachim had ze het plechtig beloofd. Hij snapte hun verlangen, het was bij hem niet anders. Toen hij omkeek naar de poort in de verte mistte hij Anna meer dan ooit. 

Na dagen lopen waren ze laat in de middag bij de velden langs de Jordaan aangekomen. Joachim was moe en zonderde zich af om te gaan rusten. Hij ging tegen de stam van een grote eikenboom zitten. Het was heerlijk koel onder de boom waarvan de onderste takken aan de uiteinden bijna de grond raakte . Hij viel vrijwel meteen in slaap. ‘Laat je herders de kudde verder brengen, maar ga zelf terug Joachim. Anne is zwanger en heeft je nodig’ 

Joachim schrok wakker, het was nacht. Hij kroop onder zijn boom vandaag en zag even verderop het laag brandende vuur van de herders. Zo op het eerste gezicht lagen ze allemaal te slapen rond het vuur. Behalve de twee wat jongere herders, die zaten in de kleermakerszit naar de vlammen te staren. Er was niemand van hen die tegen hem gesproken kon hebben. Hij was alleen en dus stond het voor hem vast wie er gesproken had en hij kon niet anders dan gehoorzamen en hopen dat het waar was wat de stem tegen hem gezegd had. De volgende morgen liep hij bij de kudde vandaan. Terug in de richting van de stad waar hij toen hij de poort naderde Anna al zag staan. Hij heeft haar nooit gevraagd hoe ze wist dat hij terug zou komen om haar te halen. Anna schonk hem een dochter Maria. 
Joachim dacht nog regelmatig terug aan de tijd in de stad. Vooral als hij zich weer eens verbaasde hoe snel Maria ouder werd en aan het feit dat in haar het leven zich weer zou gaan herhalen.  

Ben had toch meer moeite met lopen dan hij verwacht en gehoopt had. Had hij nou toch maar naar Malabar geluisterd. Ze had duidelijk laten blijken dat ze het beter had gevonden als hij nog wat langer rust had genomen. Ben was onverschrokken geweest. Hij wilde naar Jo om zijn verslag te doen. Hij ging er vanuit dat het nieuws uit de fabriek zo ongeveer Jo wel zou hebben bereikt en dat de nuancering van het verhaal waarschijnlijk nodig zou zijn. Hij had Malabar rijkelijk voor zijn verblijf en de zalf betaald, maar ze had pas echt tevreden gekeken toen hij haar toestond zijn enkel nog één keer insmeren voor hij op pad ging. ‘Ga nu nog even maar zitten.’ had ze gezegd. En was naar achteren gelopen om een kom verse zalf te halen. Ze was op een stoel recht tegenover hem gaan zitten en had zijn voet op haar schoot gelegd. Ze had met een lepel een dikke klodder zalf op zijn enkel geschept en was voorzichtig gaan masseren. Ben had de pijn uit zijn enkel voelen wegstromen. Hij had naar  Malabar gekeken. Gekeken hoe ze voorzichtig, bijna teder zijn enkel had gemasseerd. Zijn voet op haar schoot. Zijn grote teen raakte af en toe bijna haar borst. Ben durfde niet te bewegen. Hij zou niet willen dat haar vriendelijk gezicht met af en toe die guitige blik, zou veranderen doordat hij opzettelijk haar borst, notabenen met zijn grote teen, zou aanraken. Hij was bang dat ze zou kijken zoals ze keek naar gasten die haar uit ongepaste dankbaarheid voor een mok wijn even in haar billen knepen. Ben had het één keer zien gebeuren. Hij had er wel om moeten lachen. Hoe een gezichtsuitdrukking in een oogwenk van vriendelijk glimlachend kan veranderen in één van absolute walging en verachting. ‘Het is wel wat met mij.’Zei Ben vriendelijke en zacht. ‘Het enige wat ik voor jou kant betekenen is dat ik steeds zorg dat je een schone jurk moet aantrekken.’ Ben had gezien dat de zalf op haar jurk was gedropen. 

‘Geen probleem, geen mens die het merkt. Ik heb elf van deze jurken. Mijn vader ziet het hier binnen als bedrijfskleding en buiten is het volgens hem reclame omdat iedereen me dan als de waardin van de herberg herkent. Alleen op Sabbat draag ik wat anders. Het is niet anders’ 

‘Het staat je goed hoor.’ had Ben als geruststelling gezegd. 
‘Dan is één ding heel erg zeker Ben. Jij hebt totaal, maar dan ook totaal geen één spoortje van smaak.’ Ben keek naar haar, daar was hij even geweest, de blik van walging en verachting, maar gelukkig niet lang toen lachte ze alweer. ‘Nou zo moet het maar.’ Ze smeerde het overgebleven vet van haar handen af door het op zijn onderbeen te smeren. Ze pakte zijn been vast en ze boog voorover toen ze richting zijn knie gleed. Zijn voet begroef zich in haar borst. Hij voelde haar tepel tegen zijn voetzool drukken. Ben had het zonder te bewegen laten gebeuren alsof er niets aan de hand was, maar hij voelde dat hij begon te blozen. Malabar had hem niet eens aangekeken ze had duidelijk geen idee van zijn onzekere ongemak. Ze had hem daarna met haar licht bruine ogen aangekeken, terwijl ze met haar handen haar golvende haar achter haar oren had vastgezet. ‘Zo moet het maar!’ herhaalde ze. 

Het had een tijd geduurd, maar de pijn was toch weer komen opzetten. Hij was wel al over de helft, maar hij kon niet anders dan even rusten. Ben ging op een grote steen aan de kant van de weg zitten. Er was verder niemand op de weg te zien. Het was stil. Alleen de warme wind hoorde je de bladeren van de boom rustig kammen en in de verte blaatte een schaap. Normaal zou Ben van deze moment intens hebben genoten, maar de pijn was te opdringerig. Malabar had hem zalf mee gegeven en hij begon zijn enkel in te smeren. Hij voelde al snel de pijn  wegtrekken. Het was een wondermiddel. Wanneer zou ik haar weer zien? Dacht hij. Ik denk dat ik samen met Jo, weer snel richting Akko ga. In ieder geval om, in de fabriek, weer orde op zaken te stellen. Jo zal dan weer naar huis willen en dan blijf ik nog een paar dagen. Ik denk alleen niet dat Esther dat leuk zal vinden. Dan ben ik weer een aantal dagen niet bij haar. Terwijl Ben zijn enkel masseerde dacht hij aan zijn Ester. Zijn dochter die nu tien jaar geleden in zijn leven kwam. Haar komst was aan de ene kant het mooiste wat hem was overkomen, maar het luidde ook de donkerste dagen van zijn leven in. Tijden het kraambed waren er complicaties geweest en Lea, zijn vrouw, kon daar niet meer van herstellen. Een aantal dagen na de geboorte van Esther is Lea is haar slaap overleden. Ben was die ochtend wakker geworden en had het koude lichaam naast hem voelen liggen. Hij wist meteen dat hij zijn vrouw die nacht was kwijt geraakt. Ze had er zo vredig bij gelegen alsof het op de één of andere manier goed, genoeg, was geweest. Tijd voor rouw was er nauwelijks geweest, daar zorgde Esther wel voor. Het kind vond dat er maar één was die het recht had om te huilen en dat was zij. Zij had per slot van rekening honger. Ben wilde geen bijvrouwen en niemand mocht, tenzij het echt niet anders kon, de zorg voor Esther overnemen. Hij was er voor haar en zij vulde resoluut en volledig de leegte die Lea achterliet. De gedachte aan Esther had hem nieuwe energie gegeven en de zalf had de pijn verdreven. Tijd om verder te gaan. 

Jo was die ochtend druk geweest. Hij was net klaar met zijn derde bespreking toen zijn bediende aankondigde dat er een bode uit Joppa was aangekomen. Hij wilde in opdracht van Kosto onder vier ogen verslag doen van, wat hij zelf noemde ‘Een ernstig voorval’. De man werd binnen gelaten en deed verslag van dat wat er op de fabriek gebeurd was. Kosto had in zijn versie de nadruk gelegd op de rol van de vader en zijn zoon, die zich dubbel lieten uitbetalen terwijl de zoon al het werk deed. Het had het bedrijf schoppen met geld gekost en het was slecht voor de moraal. Mannen die het zagen gebeuren zouden er een voorbeeld aan nemen en ook de kantjes er vanaf gaan lopen. Kosto overspeelde vervolgens zijn hand door via de bode zijn beklag te doen over Ben. Ben had Kosto door zijn ingrijpen publiekelijk afgevallen. Er was volgens Kosto geen één lijn getrokken. De arbeiders wisten nu niet meer wie de baas was. Ben had het gezag van Kosto en daarmee dat van Jo ondermijnt. Dat had hij beter niet kunnen laten zeggen. Jo had één duidelijke regel: Hij was de baas, maar op gelijke voet stond onvoorwaardelijk Ben. Zo waren de verhoudingen al generaties tussen Jo’s familie en de familie van Ben geweest. Daar kon, mag en zal niemand tussen komen. Geërgerd had Jo de bode zijn kamer uit gestuurd en was doorgegaan met werken. 

Ben was laat in de middag aangekomen en was hinkend de werkkamer van Jo binnen gekomen. Hij ging snel zitten. Vol afschuw had Jo gezien dat zijn vriend één of andere zalf op zijn duidelijk opgezwollen enkel had gesmeerd. Jo had zijn vriend verbaasd geobserveerd. Een knappe man, donkere man met bruine ogen en met scherpe lijnen in zijn gezicht. Normaal spatte de vitaliteit van zijn hele verschijning af, maar nu was hij vermoeid en had donkere kringen onder zijn ogen en hij moest wel heel erg veel last van zijn enkel hebben wilde hij die zalf er vrijwillig opsmeren. Jo had een mok wijn voor hem in geschonken en was naast hem gaan zitten. Ben keek recht vooruit de kamer in toen hij langzaam begon met het vertellen wat hij die bewuste dag op de fabriek gezien had. Hij vertelde het tot in elk detail. Vol waardering sprak hij over de vader en de zoon die samen aan het werk waren geweest. Ze hadden een duidelijke taakverdeling. Het was een team met een belachelijk hoge productie. Zonder zijn vader, Merari, kon de sterke Elisha niets presteren en zonder Elisha was Merari te oud voor het werk. Maar samen waren ze perfect en Kosto heeft dat kapot gemaakt. Het maakte Ben toen hij het vertelde weer boos. Jo stond op en zijn weelderige bos haren vloog alle kanten op toen hij geagiteerd, nee, met zijn hoofd schudde. Het hield pas op toen hij een mok wijn nam. Hij dronk hem in een teug leeg. Ben zei ‘Ik heb Merari, geld gegeven voor zijn behandeling en blijf dat doen totdat hij beter is. Als hij nooit meer kan werken zou ik hem eigenlijk riant willen uitkopen. Wij hebben dit veroorzaakt en we zullen verantwoording moeten nemen, vind ik, maar hoe sta jij daarin?’ in afwachting van het antwoord nam hij een slok wijn. 

‘Dat moet dan wel echt gerelateerd zijn aan ons handelen. Ik kan niet iedereen gaan betalen die iets overkomt tijdens het werk.’ 

‘Nee, natuurlijk niet, maar dit is echt ons te verwijten.’ 

‘Goed’, zei Jo ‘Regel het maar. Hoeveel heb je Merari gegeven?’ 

‘Ik heb vier zilveren penningen aan Elisha gegeven. Hij gaat de komende tijd voor zijn vader zorgen.’ 

‘Ik neem aan dat dat genoeg is.’ Veronderstelde Jo. Schonk zijn mok weer vol en nam een slok en vervolgde  ‘We wachten verder af. Het is de vraag of die oude man ooit weer kan gaan werken. Maar als jij denkt dat wij dit allemaal gaan betalen heb je het zeer zeker weten  mis’ Ben keek Jo vragend aan en vroeg ‘Wat bedoel je?’ 

‘Precies wat ik zeg. Er is maar één die dit gaat betalen. Ik wil niet mensen het idee geven dat wij onze medewerkers die zich schuldig maken aan dit soort dit soort dingen in bescherming nemen. Kosto kan alle kosten betalen.’ Jo zette zijn mok neer en riep zijn bediende. De man kwam meteen de kamer binnen rennen. Jo zei tegen hem: ‘Wil jij doorgeven dat Kosto van onze fabriek in Joppa bij de volgende uitbetaling 4 zilveren penningen minder krijgt en dat zijn loon vanaf nu in tweeën wordt gedeeld. Ik wil dat hij de helft uitbetaald krijgt en dat de andere helft gereserveerd wordt voor de familie van Merari uit Joppa. Verder wil ik onderzocht hebben of wij door het werken in teams de productiviteit kunnen verhogen. Ik kom daar later nog op terug’ Jo keek Ben aan en vroeg: ‘Ben je al eigenlijk al bij Esther geweest’ 

‘Nee ik ben meteen hier naar toe gekomen’ antwoorde Ben 

‘Ga dan maar snel. Eten jullie bij ons? Dat is wel zo handig, dan kun je daarna meteen in de rust gaan. Ik denk dat we morgen richting Kosto moeten’ 

‘Daar was ik wel vanuit gegaan’ Zei Ben en vervolgde ‘Ik blijf dan wel weer een paar dagen in Joppa, dan kan ik ook blijven kijken hoe het gaat met de fabriek en met Merari’ 

‘Is goed. Wij nemen Esther wel onder onze hoede.’ Jo sloeg zijn vriend op de schouder en zei: ‘Ik vind dat idee van teams echt goed.’ Ben lachte en stond voorzichtig op ‘We hebben het er nog over. Ik ga nu eerst naar Esther’ 

Jo liep naar zijn werktafel en ging aan het werk. Esther wilde haar vader om de nek vliegen, maar toen ze zag dat hij moeilijk liep riep ze bezorgt: ‘Vader er is toch niet iets ergs gebeurd.’ Ben drukte het kind tegen zich aan en zei: ‘Nee hoor, ben van de trap gevallen.’ 

‘Helemaal van boven af’ Esther keek hem met grote ogen angstig aan. 

‘Nee van de onderste trede’ 

‘Hoe hoog was die dan’ Ben deed zijn handen uit elkaar om aan te geven hoe hoog de trede was geweest. Esther schatte de afstand in en zei  zeer resoluut ‘Vader, u moet zich niet zo aanstellen hoor.’ 

‘Je hebt gelijk schat. Ik zal het niet meer doen.’ Ben ging buiten tegen de muur van zijn huis op een stenen bank zitten. Esther kwam naast hem zitten. ‘We eten vanavond bij Jo en Chen en daar blijf je morgen ook. Ik ga samen met Jo weer terug naar Joppa voor een paar nachten.’ 

‘Geef niets’ Esther keek begrijpend ‘Jullie moeten naar die gemene man uit de fabriek hé.’ 

Ben gaf geen antwoord maar kuste zijn dochter op haar hoofd.    

De volgende morgen reden vier mannen op hoog tempo van Nazareth naar Joppa. Jo had  Leonard zijn financiële man en Moses de man die over het aannemen van personeel ging, meegenomen. Kosto had nog geprobeerd zich te verdedigen, maar Jo had hem niet kunnen verstaan en negeerde hem volledig. Er werd door Leanard verslag gedaan van de maatregelen die tegen hem genomen werden. Kosto kleurde van lijkbleek naar vuurrood en net toen hij op het punt stond om uit elkaar te barsten zei Jo met een vriendelijke en opvalllend zachte stem: ‘Je kunt ook gewoon stoppen met voor ons te werken. Ik snap dat je het bij ons niet meer ziet zitten. Ik zal je geen strobreed in de weg liggen, dus je kunt elders zo weer aan de slag.’ Kosto had Jo met een vuil glimlachje aangekeken en koos toen de veilige weg. Hij begon in hoog tempo een betoog waar niemand eigenlijk iets van begreep en toen Jo vragend naar Ben keek vertaalde ben het vrij met ‘Kosto zegt: Maar natuurlijk Heer, ben ik blij dat ik voor u mag werken en wil dat ook graag blijven doen. Ik wil u danken voor de mogelijkheid die u mij biedt. Zoiets zei je toch Kosto?’ vroeg Ben sarcastisch. Kosto knikte. De walging droop van zijn gezicht. ‘Mooi, gelukkig maar’ zei Jo en concludeerde ‘Dan is het zo geregeld.’ 

Buiten de poort keek Ben Jo aan en ze schoten tegelijk in de lach en liepen samen al grappend verder. Bij de poort zei Jo ‘Ik ga naar Nazareth, kom je morgen ook terug of niet’ ‘Ja ik wil morgen nog even bij Merari kijken en als dat klaar is kom ik jouw kant weer op’ 

‘Ik zie je morgen’ riep Jo toen hij op zijn ezel de andere mannen die al onderweg waren gegaan probeerde in te halen. Ben stalde zijn ezel en liep naar de herberg. Hij deed de deur open. Malabar kwam meteen naar hem toe gelopen en verwelkomde hem met de woorden ‘Ik heb je gemist.’