Hoofdstuk 1

De lucht, zwaar van stof en zweet, maakte Ben een tevreden man. Het was wellicht niet aangenaam, maar het was niet anders. Het hoorde erbij. In zijn hele leven was het nog nooit voorgekomen dat de fabriek niet in beweging was geweest. Hij kon zich geen enkele dag herinneren waarop de opzichters er niet voor hadden gezorgd dat de dagloners hun noeste arbeid vergezeld lieten gaan met het op wervelen van stof en het uitscheiden van zweet dat in de warme zon verdampte en de lucht verzadigde, terwijl het zout en stof de lichamen wit deed uitslaan. Natuurlijk was er af en toe wel een harde hand nodig geweest en soms landde de zweep op de blote rug van een dagloner. Een fel rode streep bloed op het witte lichaam. Over het algemeen liep alles gewoon zonder problemen. Ben had van kinds af aan geleerd dat het belangrijk was dat de arbeiders tevreden waren. Tevreden met het werk en tevreden met het loon dat ze mee naar huis namen. De vrouwen waren dan op hun beurt ook tevreden omdat er die dag genoeg te eten was. De kinderen lagen die avond met volle buikjes in bed. Dat alles bracht de dagloner de volgende morgen weer vroeg terug bij de poorten van de betonfabriek om zich weer in het zweet en in het stof te werken.  
Ben bekeek de tabletten waar de productie en opbrengsten op waren geschreven. Alles zag er goed uit. De vraag naar hun beton was enorm geweest sinds ze de juiste ingrediënten in de juiste verhoudingen hadden weten te mengen. Het leverde een topkwaliteit beton op, die in alle uithoeken van het Romeinse rijk gebruikt werd. Het was een tijdlang moeilijk geweest om aan de vraag te voldoen, maar nu waren ze weer op de goede weg. Ben keek naar Kemos. 

‘Het gaat zo weer goed of, niet?’ vroeg Ben afwachtend. ‘Ja, het gaat heel goed. Er zijn genoeg arbeiders en de grondstoffen zijn vandaag met twee schepen tegelijk binnen gekomen. Ze worden nu gelost zodat we morgen zonder vertraging verder kunnen met de zuilen voor dat grote Romeinse badhuis.’  

Kemos praatte snel en jachtig en Ben had maar de helft van het antwoord kunnen volgen. Hij was bezig de andere helft te verzinnen zodat het geheel weer kloppend werd. Doordat Kemos zo snel praatte als een normaal mens dacht, kon hij tot zijn eigen ergernis bijna alles wat hij zei een aantal keren herhalen voordat iemand hem had verstaan, laat staan begreep. Ben was gestopt met het vragen om een herhaling en maakte sindsdien zijn eigen versie van het verhaal.  

‘Mooi, das goed om te weten’, zei Ben en keek naar de lange witte magere man die voor hem stond. Het was alsof het stof hem permanent bleek had gemaakt. Alleen zijn bruine ogen gaven nog wat kleur aan zijn verder bleke kale gezicht. Als je hem zo zag, zou je kunnen denken dat hij ernstig ziek was, maar het bleek zijn hoorde bij hem. Hij was kerngezond, maar gewoon altijd zonder kleur. Zelfs als hij bloosde, omdat totaal onverwachts een vrouw iets te veel vrouwelijkheid in zijn richting stuurde, was dat een bleek bloosje wat vaak vergezeld ging met een zenuwachtig lachje.  

‘Hoelang hebben de schepen er over gedaan?’ vroeg Ben.  

‘Dertig dagen, dat is veel sneller dan normaal. De schipper heeft de mannen als gekken laten roeien.’  

Er verscheen een sarcastische glimlach op het Kemos’s gezicht. 

‘O, dat was voor ons toch niet echt nodig geweest. We hadden toch nog wel wat voorraad.’ zei Ben bezorgd.  

‘Nee, dat klopt, maar het kwam wel goed uit dat ze dachten dat ze achtervolgd werden door piraten.’  

‘En was dat ook zo?’ vroeg Ben geschrokken  

‘Nee, uiteindelijk niet, maar het maakte ze wel dus een stuk sneller. Wel jammer dat vier mannen zich letterlijk dood hebben geroeid.’  

Kemos had duidelijk schik, maar Ben zag de lol er niet van in en zei: ‘Je moet echt tegen de schipper zeggen dat dat niet de bedoeling is. We hebben niets aan schepen zonder bemanning.’ 

‘Nee, dat is duidelijk,’ suste Kemos. ’maar de angst voor piraten is een reële en als die angst eenmaal in hoofden van de bemanning is gaan zitten, kun je als schipper roepen wat je wil, maar dan wordt er geroeid om het leven.’  

‘Toch wil ik dat je er een rapport van maakt, ik wil liever niet dat dit vaker voorkomt. Desnoods vragen we om beveiliging’, antwoordde Ben streng. Zijn woorden hadden extra overredingskracht omdat hij het ook echt meende. Hij vond het van groot belang dat het bedrijf waar de familie Abinadab al jaren topposities in hadden bekleed, goed voor haar arbeiders was en bleef, zelfs als het dagloners of zeelieden betrof.  

‘Ik zal het doen, heer. Ik zal het aan de schipper doorgeven.’ Kemos klonk nu gedwee. 

‘En je maakt er een rapport van.’  

‘Ja heer, ik maak er ook een rapport van’, zei Kemos weliswaar snel, maar overduidelijk. Ben knikte en liep, na een halve groet, de kamer uit. Hij verlangde zo langzamerhand naar frisse lucht. De terugreis naar Nazareth, waar vanuit het bouwbedrijf gespecialiseerd in Romeins beton opereerde, leek hem de beste manier om aan dat verlangen gehoor te geven. Ben liep langs de dikke muren die rond de fabriek waren opgetrokken naar de smalle poort. De stad achter de poort zag niet zoveel van de fabriek. Alleen de arbeiders die zich ’s morgens op het pleintje voor de poort verzamelden, in de hoop door de opzichter te worden geselecteerd, verraden iets van haar activiteit. Als de arbeiders tot de gelukkigen behoorden die naar binnen mochten gaan, verdwenen ze door de poort om ’s avond moe, stoffig en stinkend er weer door tevoorschijn te komen.  

Ben liep de poort door, de straten van Akko in. Het was druk in de stad. Mensen liepen met afwezige gezichten ogenschijnlijk willekeurig een kant op. Een oude vrouw die vlak voor Ben liep, draaide zich plotseling om. Ze keek hem recht in de ogen en draaide zich net zo snel weer met haar neus in de oude richting om vervolgens langzaam verder te lopen. Het was of ze iets vergeten was en terwijl ze zich omdraaide om terug te gaan, besefte ze zich dat het toch niet zo heel belangrijk was en dat doorlopen toch een betere optie was. Ben haalde haar snel in en liep al vlak achter haar toen ze plotseling stokstijf bleef staan. Hij moest met een rare maar sierlijke boog om haar heen manoeuvreren, maar kon niet voorkomen dat hij haar toch licht raakte. Verschrikt keek ze hem voor de tweede keer aan en pakte opvallend stevig Bens arm vast. Met een oude krakende stem mompelde ze: ‘Een vriendelijke bevelhebber wordt het best gehoorzaamd. Onthoud dat goed mijn jongen.’ 

‘Ik zal het doen hoor mevrouw’ antwoordde Ben lachend, maar hij was wel even van zijn stuk gebracht door de oude vrouw. Hij liep snel verder en toen hij de hoek om ging, de straat in waarin zijn herberg lag, zag hij in zijn ooghoeken de oude vrouw nog steeds stokstijf staan, terwijl de wereld in hoog tempo lang haar raasde.  

Binnen in de herberg was het warm. Er zaten een aantal mannen aan een tafel te drinken en luidruchtig sterke verhalen te vertellen. Ben gaf ze geen aandacht en liep meteen de trap op naar zijn nette, maar kleine kamer. Naast een bed stond er alleen een klein laag kastje met daarop een kan water en een schaal, in de kamer. Ben ging op zijn bed liggen en kon de mannen beneden horen lallen. Het was het warmst van de dag en hij werd slaperig. Morgen zou hij naar Nazareth gaan en Jo verslag doen van de resultaten van zijn fabriek. Het was een kleine acht uur lopen naar huis. Jo had hem wel een ezel aangeboden, maar Ben was een echte wandelaar. Het gaf hem rust en Jo gaf hem, hoewel hij zijn baas was en graag snel op de hoogte gebracht wilde worden, de ruimte om de reis rustig aan te doen. Dat voorrecht gold niet voor iedere medewerker binnen het  bedrijf van Jo, maar hij en Ben waren van kinds af aan al vrienden van elkaar geweest en hun vaders waren dat ook al. Eigenlijk was het niet geheel duidelijk hoelang de twee families al onlosmakelijk door vriendschap met elkaar verbonden waren. Ben zag er naar uit om Jo weer te zien en natuurlijk ook Chen, Jo’s vrouw.  Het zal wel weer een gezellige maaltijd worden die tot in de vroege nacht zal voortduren. Met een glimlach op zijn gezicht viel Ben in slaap. Beneden hadden de mannen duidelijk geen last van de warmte en gingen onverstoorbaar door. 

Toen de zon langzaam richting de horizon wegzakte en zijn kracht verloor werd het snel aangenamer. De mensen rekte de bedrukkende warme van zich af en kwamen langzaam weer in beweging. Ben was opgestaan en schonk water in de waskom, maar toen hij voelde dat het water lauw was geworden en geen enkele verfrissing zou geven besloot hij beneden vers water te gaan halen. Voorzichtig goot hij de waskom weer leeg in de waterkan en liep ermee de gang in richting de trap. Halverwege de trap kon hij de herberg inkijken. Er zat niemand meer. De mannen die begin van de middag nog met veel lawaai zich tegoed hadden gedaan aan wijn en verhalen waren vertrokken. Alleen hun geur van zweet vermengd met alcohol hing nog zwaar in de lucht. De trap kraakte toen Ben zijn voet op de laatste trede zette. De avond tevoren was het hem nog opgevallen dat de ruimte tussen de grond en de eerste trede opvallend groot was. Het is raar hoe het lichaam reageert als iets niet verloopt zoals verwacht. Een paar centimeter meer zonder dat je er scherp op bent en het lichaam slaat op tilt. Ben zijn enkel klapte geheel naar binnen en de gedachte ‘O ja, dat is waar ook daar zat meer ruimte tussen’ schoot hem te binnen, maar duidelijk te laat. Een enorme scheut pijn. Een waterkan die door de lucht vloog, gevolgd door de inhoud. Ben viel totaal gedesoriënteerd op de grond en voelde vrijwel direct twee handen die hem probeerde te ondersteunen. Het was de waardin. Door zijn pijn heen dacht hij toen hij haar verschrikt aankeek: ‘Ze heeft de volle laag gekregen.’ Het gezicht van de mooie jonge vrouw droop van het water.  

‘Gaat het meneer’ vroeg ze geschrokken. 

‘Ik geloof het wel.’  

Ben stond voorzichtig op, maar toen hij gewicht op zijn enkel wilde zetten schoot er opnieuw een pijnscheut door zijn lichaam. Hij verbeet zich en zei ongeloofwaardig kalm: ‘Komt goed, ik moet even gaat zitten.’ De waardin ondersteunde Ben op weg naar de eerste de beste stoel die in de herberg stond. Hij zakte er op neer.  

‘Zie je dat’ gilde de waardin iets te enthousiast en wees naar Ben’s enkel, ‘Er komt meteen een ei op. En niet zo’n kleintje ook.’ 

Ben zag het ook gebeuren, maar toch werd de pijn, nu hij was gaan zitten wel iets minder. 

‘Ik zal een natte doek voor u halen’, zei de waardin en liep meteen weg. Toen ze terug kwam met een doek in haar hand, had ze haar natte jurk nog aan. De jurk kleefde weinig verhullend tegen haar lichaam.  

‘Heeft u de waterkan niet tegen u aan gekregen?’, vroeg Ben bezorgd. 

‘Ja, die is op mijn schenen kapot geslagen’ 

‘Heeft u zich niet bezeerd?’ 

‘Nee dat valt mee’ ze legde de dunne natte doek zorgvuldig op het ei van de inmiddels blauw geworden enkel.  

‘U moet steeds op de doek blazen, dan voelt u de koelte. Ondertussen ga ik even een ander jurk aan trekken, ik voel me zo toch niet helemaal op mijn gemak, als u snapt wat ik bedoel.’ De waardin stond op. 

‘Ik snap wat u bedoelt.’ zei Ben terwijl hij licht gegeneerd naar zijn enkel bleef kijken waar hij vervolgens fanatiek op begon te blazen. De waardin liep zonder iets te zeggen weg en niet veel later kwam ze in precies dezelfde jurk weer terug. Dit was alleen de droge variant. Ben was het blazen al behoorlijk zat. Het gaf verkoeling dat was waar, maar de doek was wel zo warm geworden dat het effect nog minimaal was  

‘Ik wil eigenlijk wel boven op bed gaan rusten.’ Zei hij. ‘Ik neem aan dat dit gewoon tijd nodig heeft voor het weer wegtrekt. Ik moet morgen lopend naar Nazareth dus ik kan me nu beter even rustig houden.’ 

‘Dat gaat u niet lukken’ zei de waardin resoluut. 

‘Wat dat rustig houden of morgen naar Nazareth gaan.’ Zei Ben hoewel hij eigenlijk wel wist wat ze bedoelde. Ze glimlachte zonder een antwoord te geven.  

‘Ik zal u naar boven helpen.’ ze pakte Ben, die langzaam opstond, stevig vast en hij strompelde gesteund door de waardin richting de trap.  

‘Past u op voor de eerste trede?’ 

‘O das goed dat je dat nu zegt’  

De waardin ging ook hier wijselijk niet op in en voorzichtig begonnen de twee aan de voor haar langzame en voor Ben voornamelijk pijnlijke tocht naar boven. Het voelde als een enorme overwinning toen hij uiteindelijk op zijn bed neer plofte. De waardin legde een paar ronde kussens onder zijn enkel zodat die een stuk hoger lag.  

‘Ik kom zo nog wel wat eten brengen.’  

Ze liet Ben achter op zijn kamer. Hij bedankte haar terwijl ze wegliep en sloot zijn ogen, maar slapen kon hij niet. Uiteindelijk hoorde hij de waardin weer de trap op komen. Ze bracht hem brood, wijn en kaas.  

‘Hier smeer dit maar op uw enkel. Dat werkt goed, althans dat zegt mijn moeder.’ 

Ze gaf Ben een kommetje met daarin een bruine stinkende zalf. Hij durfde geen ‘nee’ te zeggen en dus smeerde hij rijkelijk de zalf op zijn enkel. Nam een paar flinke slokken van de wijn en ging toen weer liggen. Met veel minder pijn viel hij uiteindelijk in slaap.   

Het was dat ze de weg konden dromen, want hoewel het al voorzichtig licht begon te worden in het oosten, was het nog lang niet genoeg om te kunnen zien waar je liep. Elisha was, zoals iedere ochtend, samen met zijn vader op weg naar de kleine poort waar de Opzichter zijn arbeiders voor die dag zou uitkiezen. Naarmate ze de poort naderden werd het steeds drukker in de donkere straat. Allemaal zwarte schimmen die vanuit de kleine zijstraatjes en gangetjes tevoorschijn kwamen en zich aansloten in de stoet die zich, alsof gedreven door een onzichtbare herder, in één richting lieten voordrijven. Er werd niet veel gesproken, behalve dan af en toe een korte groet wanneer de ene schim de andere, ogenschijnlijk niet vanwege uiterlijke kenmerken, herkende. De stoet kwam tot stilstand op het kleine plein bij de poort en naar mate de zon boven de horizon kroop veranderde de schimmen langzaam in mensen die geduldig stonden te wachten tot de poort openging. Je hoorde de sloten één voor één open schieten. Eerst kwamen er viert wachters naar buiten lopen. Ze hadden meer weg van gewapende romeinse soldaten. Na hen waggelde de opzichter naar buiten. Een kleine dikke man die duidelijk zijn keuze voor bepaalde arbeiders liet bepalen door het voedsel en de drank die ze hem in het geheim hadden aanboden. Er deden verschillende verhalen de ronde van vrouwen die om te zorgen dat hun man de volgende morgen aan het werk kon, de opzichter in de nachtelijke uren bezochten. Zijn eigen vrouw scheen daar niet de minste moeite mee te hebben. Hij was dus een man met macht, maar die uitstraling had hij niet. De moeite waarmee hij met zijn dikke buik op de speciaal voor hem neergezette verhoging klom, was ronduit lachwekkend. Toch schoot niemand in de lach, dat was je doodvonnis. Elisha stond met zijn gespierde lichaam in het midden van de groep mannen, zijn vader stond naast hem. De jaren hadden bij hem zijn tol gevergd, zijn lichaam was zo goed als versleten en hij zou zonder zijn zoon nooit in de fabriek aan het werk komen. Elisha werkte letterlijk en figuurlijk voor twee en toch kon hij dat het beste samen met zijn Vader bereiken. En dat ze altijd samen waren, was iedereen opgevallen ook de mensen die hoger op de hiërarchische ladder stonden dan de dikke opzichter. Eenmaal had hij Elisha naar de poort verwezen, maar zijn vader niet. Elisha had zich omgedraaid en was rechtsomkeert naar huis gelopen. Vader wanhopig in zijn kielzog. Het werk was die avond ondanks het herhaaldelijk klappen van de zweep niet af gekomen. De voorman kreeg een uitbrander.  

‘Waar was die ene hard werkende man met zijn vader. Morgen zorg jij dat we goede arbeiders hebben. Mannen zoals hij, anders zul je het de rest van je leven het met je eigen vrouw moeten doen.’ Had Kemos in hoog tempo gedreigd. 

‘Die man werkt voor twee, maar krijgt ook voor twee betaald.’ Verweerde de opzichter zich. 

‘Hoezo twee?’ 

‘Zijn vader moet ook altijd mee en die doet niet zoveel’ 

‘Van wie moet die mee?’ 

‘Van die hard werkende man. Elisha heet hij geloof ik. Hij loopt anders gewoon weg als ik hem uitkies, maar zijn vader niet toelaat.’ Zei de opzichter met quasi wanhopige stem. 

‘Hij werkt voor twee en zijn vader voor een half. Das dan toch altijd nog twee en een half per twee personen.’ Zei Kemos terwijl hij wist dat zijn redernering wel rekenkundig klopte maar daar hield het dan ook mee op. Een andere man had de oude vader er makkelijk uitgewerkt.  

‘Wat zegt u heer’ vroeg de opzichter die Kemos niet had kunnen volgen. Keos herhaalde het niet. 

‘Zo’n oude man moet je op een andere manier oplossen’ vervolgde Kemos ‘Je moet geduldig afwachten. Er komt een moment dat van die kerel af kan komen. Laat dat maar aan mij over.’  

De opzichter keek vragend en knikte voorzichtig, hij had alleen “Zoiets…. oplossen…. mij….. over. Afwacht.. kerel kwijt…. mij over” goed kunnen verstaan en liet het daar dan ook maar bij. 

Het voorval Elisha en Kemos was al weer een paar weken geleden en om de omzet te beschermen verwees de dikke opzichter trouw iedere morgen Elisha en zijn vader als één van de eersten naar de poort, waardoor de twee vervolgens met een tevreden gezicht het terrein op liepen. 

‘Mijn hemel, wat is die blauw geworden.’ Gilde de waardin terwijl ze haar hand voor haar mond hield en met grote ogen naar de enkel van Ben keek. Ben schoot in de lach.  

‘Het doet in ieder geval niet meer zoveel pijn en de zwelling is ook veel minder geworden. Ik denk dat het uw moeders zalf is geweest. Toch denk ik dat het niet verstandig is om vandaag naar Nazareth te lopen, u had helemaal gelijk’  

‘Tuurlijk’ Zei de waardin triomfantelijk en schoof een boord met vers brood en melk onder zijn neus. 

‘Wat zat er in die zalf en wat zijn de kosten daarvan eigenlijk’ 

‘Das een geheim’ Zei de waardin zacht. ‘Mijn moeder heeft er een pot van staan en haalt de kruiden voor haar zalven altijd op de markt bij de haven. Daar komen allerlei kruiden uit verre landen binnen. Soms helpt een zalf bij een kwaal, maar soms ook helemaal niet hoor. Soms moet ik wat van haar uitproberen, zonder dat ik weet waar het voor is. De laatste keer stonk ik een dag lang een uur in de wind, een hele zure penetrantie lucht. Het was zo erg dat die dag de klanten weg liepen. Ik vroeg mijn moeder waar de zalf goed voor was. Ze dacht even na en zei toen terwijl ze mijn lege zaak inkeek: ‘Het geeft je rust. Je kunt vandaag rustig even op adem komen.’  

‘Je bent er mooi klaar mee zo’n moeder, maar ik zal verklappen wat er in de zalf zit, dit is een klassieker. Het is vooral voor verstuikingen na een val en je gelooft het niet. Het kruid heet valkruid.’ 

‘Ja, Ja’ Zei Ben ongeloofwaardig ‘en in een zalf tegen een droge huid zit natkruid zeker. Zo lust ik er nog wel een paar.’  

‘Nee, echt het is echt waar, valkruid’ de waardin knikte langzaam en bleef heel serieus kijken, zelfs toen Ben zijn lach niet meer kon inhouden. ‘Nou dan geloof je het niet. Het is echt zo’ Ze liep terwijl ze haar schouders ophaalde, weg. 

‘Ik probeer vandaag nog een bezoekje aan de betonfabriek te brengen en kom dan weer terug. Is de mijn kamer vrij voor de nacht?’ riep ben haar na. 

‘Natuurlijk’ Riep de waardin vanaf de andere kant van de herberg. ‘Ik zou zeker vandaag rustig aan doen, maar niet stil gaan zitten, daar word je niet beter van. Ik zorg dat er een maaltijd en een bed voor u klaar staan.’ 

‘Dank u.’ riep Ben de ruimte in. Hij at zijn brood en dronk zijn melk.  

‘Denkt u aan de kosten’ Riep Ben de herberg in en vanuit het niets antwoorde de waardin:  

‘Ja, die voer ik lekker op.’ 

Ben glimlachte en dacht: Je doet maar, dat zou ik ook doen. Je bent het waard. Hij hinkelde naar de deur.  

‘Tot straks’ 

 ‘Ja, tot straks. Doe voorzichtig.’ Klonk het. 

Ben vroeg zich af of mensen eigenlijk altijd zo snel liepen. Het irriteerde hem en hij wilde het liefst tegen iedereen schreeuwen: ‘En nu allemaal rustig lopen, zien jullie niet dat ik het niet kan bijhouden?’, maar hij wist ook dat werkelijk niemand zich iets van hem zou aantrekken en dus schuifelde hij doodongelukkig maar vooral langzaam voort. Ging hier en daar op een steen zitten om even uit te rusten en zijn enkel rust te geven. Het leek uren nadat hij de herberg had verlaten toen hij het pleintje voor de poort bereikte. Er stonden twee bewakers voor de poort, die er voor zorgde dat niet iemand die geen toestemming had naar binnen zou lopen. Ben stak langzaam het plein over en toen hij bij de poort was aangekomen deden de mannen, terwijl ze strak voor zich uit bleven kijken, een stap opzij. Hij vond dat eng gedrag. Het was normaler dat je elkaar vriendelijk groette en dan eventueel nog een praatje over helemaal niets zou maken en pas dan ga je aan de kant. Ben keek één van de wachters aan en zei: ‘Alles Goed?’ 

‘Ja, heer.’ 

‘Blijven jullie niet te lang in de zon staan?’ 

‘Nee, heer.’ 

‘Dat is slecht voor je’ 

‘Ja, heer.’ 

‘Dus dat wist je wel’ 

‘Ja, heer’ 

‘Maar je doet het niet?’ 

‘Nee heer.’ 

‘Dus je bent gewoon ongehoorzaam.’ De man keek Ben even met zo verschrikkelijk veel angst in zijn ogen aan dat Ben er van schrok. Het zweet brak de wachter uit. Ben keek naar de andere wachter die trillend voor zich uit keek. 

‘Jongens wat is hier aan de hand. Ik bedoel er niets mee. Doe maar rustig hoor.’ De mannen ontspande iets maar bleven in hun rol. Verbouwereerd hinkelde Ben de poort door en hoorde de twee wachters tegelijk een stap opzij doen zodat de doorgang weer was verspert. Een raar gevoel maakte zich meester over hem en hij besloot zich wat verdekt op te stellen. Ergens achteraf ging hij op een stapel stenen zitten. Vanaf zijn positie had hij goed zicht over de werkende mannen, zonder dat hij zelf opviel. De arbeiders werkten hard. De blokken beton werden bewerkt met hamers en beitels. De meeste mannen waren vooral bezig met de blokken te draaien en zo neer te leggen dat ze goed bewerkt konden worden zonder dat het blok omviel of weggleed. Blokken beton die zodra de hamer in de lucht ging, weer omvielen of bij het neerkomen van de hamer een wegrolden om een paar meter verderop tegen een ander zorgvuldig neergelegd blok tot stilstand te komen. Een soort domino effect was het gevolg. Het was een bijna komisch gezicht van inefficiëntie. Twee mannen een tengere man en een sterke jonge kerel werkten anders. De duidelijk oudere man zorgde dat het blok goed lag en hield het stevig vast. De jonge man sloeg met zijn hamer op de beitel, soms hard, maar soms ook met kleine precisie tikjes. Het ging snel en zorgvuldig. Het waren Elisha en zijn vader Merari. Zodra een gedeelte naar wens was bewerkt draaide Merari het beton een stuk verder en zocht voor voldoende grip zodat Elisha weer verder kon. Het was een team. Het werkte als een team met een aanzienlijk hogere productie. Ben keek nog een lange tijd vol verbazing naar vader en zoon. Hij wilde net uit zijn observatieplek tevoorschijn om met Kemos hun manier van werken te bespreken en als voorbeeld van efficiëntie te gebruiken toen één van de andere mannen verkeerd op zijn bijtel sloeg. De hamer schoot door en daarna uit de hand van de man. Het stuk ijzer vloog door de lucht en viel een paar meter verder met een plof op de grond. De man verloor zijn evenwicht en liet het blok, waar hij mee bezig was geweest, los. Het rolde van de stapel betonblokken naar beneden. Merari  had hem niet zien aankomen en het blok belandde op zijn voet. Merari schreeuwde het uit van de pijn. Elisha tilde snel het blok op en legde het aan de kant. Van alle kanten kwamen mannen aanrennen. Ben kon niet goed zien hoe erg de enkel er aan toe was, er stonden te veel mannen om het slachtoffer heen. Gealameerd door het stilgevallen van het werk kwam Kemos gewapend met een korte maar dikke stok en zijn twee wachters aangelopen.  

‘Wat moet dat hier, doorwerken jullie.’ De mannen vlogen weg en zochten snel hun brok beton weer op. Kemos keek naar de ouder man die op de grond lag en schreeuwde: ‘Opstaan’. Merari keek naar Kemos. Elisha wilde hem te hulp schieten, maar Kemos gebood met een knik met zijn hoofd de twee wachters hem vast te houden.  

‘Staan’ buderde hij.  

Vader probeerde moeizaam overeind te komen maar dat lukt niet in een keer. Hij ging eerst op zijn knieën zitten en ruste op zijn handen. Zo bleef hij een paar seconden zitten. Het duurde Kemos te lang. Hij sloeg met al zijn kracht de stok op de rug van vader die het uitschreeuwde van pijn. Elisha werd wild en de twee soldaten hadden de grootste moeite hem in bedwang te houden. De stok vloog weer door de lucht en belandde op onderrug van Vader die omviel.  

‘Last van je enkel?’ Gilde Kemos en sloeg met al de kracht die hij in zijn magere bleke lichaam had de stok op de enkel van Vader. Je kon de botten horen kraken. Vader greep naar zijn enkel, wilde hem ondersteunen, maar de stok belandde met enorme kracht op zijn handen. Zo hard dat zijn vingers braken en verbrijzelde zijn enkel. Het lichaam Merari trilde en schokte, maar er kwam geen geluid meer. Alleen zacht gekreun. Elisha was in elkaar gezakt. Huilend van onmacht en woede. Kemos wilde nog een keer zijn stok op het lichaam van de oude man laten neerkomen toen iemand achter hem bulderde  

‘Hé ben je helemaal gek geworden. Waar ben jij mee bezig.’  

Kemos die door de inspanning zowaar een kleur had gekregen trok in één keer weer lijkbleek weg. Daar stond Ben. Hoe is het mogelijk, die was gisteren toch geweest, dacht Kemos. Ben liep naar Kemos toe en keek hem recht in zijn ogen aan. De twee gezichten zo dicht bij elkaar dat Kemos en Ben elkaars adem konden voelen en ruiken. Ben, met een grimmig gezicht zijn kaken strak op elkaar fluisterde sissend van woede   

‘Jij betaald deze man zijn loon en dat doe je net zolang tot hij weer kan werken. Als iemand hier niet kan werken is dat zijn probleem, als iemand hier niet kan werken door ons toedoen, dan is het opeens ons probleem en in dit geval die van jou. Je kunt er zeker van zijn dat ik dit voorval uitvoerig met Jo zal bespreken. Dit gaat grote gevolgen voor je hebben.’ 

Ben wachtte even, ademde diep in en vervolgde: ‘Je gaat niet zomaar iemand in mekaar slaan, Kemos.’  

Kemos wilde zich verdedegen ‘Hij….’ 

‘Houd je mond man, voor jou heel veel andere’  

Ben draaide zich om en liep naar Elisha toe en reikte hem de hand. Hij trok Elisha overeind en naar zich toe.  

‘Sorry. Zorg goed voor hem.’ 

Ben riep een aantal mannen bij zich en gebood hen, de nog steeds van pijn trillende en schuddende, Merari naar huis te tillen. Toen de man werd weggedragen legde Ben nog even een hand op zijn schouder, maar zei niets. Elisha wilde achter zijn vader aan lopen, maar Ben riep hem bij zich.  

‘Hier’ Ben gaf hem vier zilveren penningen. ‘Als het niet genoeg is wil ik dat je me het laat weten. Ik hoop echt dat hij snel hersteld.’ 

‘Hij hersteld niet meer, heer’ zei Elisha verbitterd en liep terneergeslagen achter zijn vader aan. Zijn verdriet ging Ben door merg en been.